Bekendste poelier van Antwerpen bestaat 100 jaar: “Als de longen van de kip wit zijn, weten we dat het niet goed is”

Het gebeurt niet te vaak dat een familiezaak in Antwerpen de honderd haalt.  Al sinds 1922 verkoopt de familie gevogelte, wild en kalkoen alsof het voor zichzelf zou zijn. Het verhaal van twee broers, hun vrouwen en hun liefde voor de stiel.

Het beroep poelier is met uitsterven bedreigd. De poelier is een slager die zich richt op gevogelte, kalkoen en wild. In de Abdijstraat op het Kiel zit nog een van de laatsten. Twee broers met hun echtgenotes, die al lang over hun pensioengerechtigde leeftijd zijn, houden Poelier Hermans tot vandaag de dag nog draaiende. Het geheim ? De kwaliteit van het product.

Ruik hier eens aan, goed ruiken. Ruik je dat? Dat is verser dan vers. Dit is de basis van de wildpaté van Alice. Dat is de beste die er is, redeneert René Hermans, en  houdt een pot voor zich uit met een mengeling van verschillend gevogelte. Hij complimenteert Alice, zijn echtgenote. In één adem ook zijn schoonzus Frieda.

Zonder onze vrouwen hadden we als twee broers niet al die jaren zo goed kunnen samenwerken. Ze zijn onze steun en toeverlaat en grijpen vooral op tijd in wanneer mijn broer en ik het oneens zijn over iets. Dat gebeurt niet vaak, maar als het zo ver is, zijn de vrouwen daar om tussen te komen.

De twee gezinnen wonen boven de zaak. “Eten doen we elke dag met ons vieren. Behalve op zondag, dan eet ieder op zijn eigen appartement. We eten liefst beneden achter de zaak. Als er dan klanten passeren en de zaak is gesloten, kunnen we toch nog even opendoen om die mensen verder te helpen” zegt Frieda.

Ondertussen kuist Alice vakkundig de verse kippen die voor haar liggen. Daar gewoon op kijken en het interview rustig afmaken ligt niet in de aard van René. Hij begint spontaal de kippen mee te kuisen en de levertjes uit te snijden. “Kijk eens naar die longen. Als die zo felrood zien, is dat een goed teken. Dan is het een gezonde kip. Als ze wit zijn heeft de kip medicatie gekregen en weten we dat het niet goed is.”

Het begon ooit in de zaak van grootvader van René en Roger Hermans in de buurt van het Schipperskwartier in 1922. Na de Wereldtentoonstelling van 1930 verhuisde de zaak naar de toen opkomende Abdijstraat. “Onze vader nam de fakkel over van zijn vader en ook wij wisten al snel dat we de zaak verder zouden zetten. Al van jongs af aan hielpen we onze ouders en voor grootmoeder moesten we haar messen slijpen. De kippen werden toen nog thuis geslacht bij ons en de konijnen ook. Als jong manneke mocht ik de konijnen uit het kot gaan halen, die mijn vader ging slachten. Ik heb dat nooit vreemd gevonden, ik was trots dat ik kon helpen.

Het vak van poelier stroomde altijd door de aderen van de twee broers. Het was dan ook niet meer dan logisch dat ze een vrouw zouden zoeken, die daarin mee zou gaan. “Toen we nog maar net vrerkeerden, vroeg René al of ik mee in de zaak wilde staan. Ik gaf mezelf drie weken tijd om te kijken of het iets voor mij was. Ik wist dat als ik het niet zag zitten, dat het ophield” zegt Alice.

René: “Het had pijn gedaan, maar ik kon de zaak niet achterlaten en had een vrouw nodig die er even hard voor ging. Gelukkig komen Frieda en Alice ook heel goed overeen. Zowel wij als mijn broer en Frieda kregen kinderen. Die deelden ook alles. Als één koppel met vakantie ging, nam het de kinderen van het andere koppel mee zodat zij verder konden werken. Zo is het altijd goed gegaan.”

Opvolging zit er niet in. “Wij zijn eigenlijk al lang op pensioen maar werken verder. Al wordt het moeilijk. Roger heeft al een hersenbloeding gehad en René kreeg ook een beroerte. Klanten komen als we openen op woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag tot 13u. Stoppen doen we echter als er iets ernstig met ons gebeurt maar de klanten hopen dat we het nog lang volhouden.